Kinderombudsman: aanpassingen nodig in wet DNA afname

3 apr 2013

Bij jongeren, die zijn veroordeeld voor een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, moet niet langer standaard DNA-materiaal worden afgenomen. Bij het besluit om DNA af te nemen, moet onder andere rekening worden gehouden met de leeftijd en ontwikkeling van jongeren. Dat concludeert Kinderombudsman Marc Dullaert in het rapport over DNA-afname bij minderjarigen, dat vandaag is aangeboden aan minister Opstelten van Veiligheid en Justitie.

Kinderombudsman Marc Dullaert pleit voor een wetswijziging van de Wet DNA-V. Hij is van mening dat de Nederlandse regelgeving over DNA-afname en verwerking te weinig rekening houdt met de kwetsbare positie van minderjarigen, hun bijzondere positie in het jeugdstrafrecht en de bescherming die hen is toegekend in het Kinderrechtenverdrag. De regelgeving is in strijd met dit verdrag, waarin staat dat het belang van het kind voorop dient te staan en dat minderjarigen recht hebben op een eigen berechtingssysteem, een pedagogische behandeling, bescherming van de privacy en het voorkomen van stigmatisering.

Aanbevelingen

De Kinderombudsman vindt dat er bij het afnemen van DNA een aparte regeling moet komen voor jongeren, waarin rekening wordt gehouden met hun ontwikkeling en leeftijd. Ook moeten minderjarigen bezwaar kunnen maken bij de rechter tegen het afnemen van DNA. Als er dan toch DNA wordt afgenomen, dan moet dit bij jongeren korter worden bewaard dan de gebruikelijke twintig tot dertig jaar, zo vindt de Kinderombudsman. De Kinderombudsman wijst er ook op dat kinderen snel informatie moeten krijgen over de DNA afname en niet pas maanden na een veroordeling. Deze informatie moet ook passend en begrijpelijk zijn voor het kind.DNA afname in de praktijk

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) stelt uit het afgenomen DNA de DNA-profielen op en bewaart deze in de databank. Als de persoon veroordeeld is voor een misdrijf waarop een maximale straf van tenminste zes jaar staat, dan blijven de gegevens dertig jaar bewaard. Bij delicten met een maximumstraf van minder dan zes jaar, geldt een bewaartermijn van twintig jaar. Tot uiterlijk dertig jaar nadat de veroordeling onherroepelijk is geworden, kan de termijn echter nog verlengd worden.
Het aantal minderjarigen dat DNA moet afstaan is de afgelopen jaren fors toegenomen. Uit het jaarverslag 2011 van de DNA-databank voor strafzaken blijkt dat er nu sinds de invoering van de Wet DNA-V 17.313 minderjarigen in de DNA-databank staan geregistreerd voor een veroordeling uit hun jeugd. In 2010 waren er 14.800 personen die minderjarig waren ten tijde van de opname in de DNA-databank. Er is dus sprake van een toename in 2011 van 2.513. Ter vergelijking: in 2006 waren nog maar 1.627 DNA-profielen van minderjarigen bekend in de DNA-databank.