Officieel staat in de wet dat ouders verplicht zijn voor hun kinderen te zorgen, ook financieel. Gebeurt dit in de praktijk niet en wonen kinderen niet meer thuis? Dan moeten de gemeente, jeugdbescherming en de instelling waar de jongeren wonen afspraken maken. Samen moeten ze een oplossing zoeken ook voor zak- en kleedgeld. En daar gaat het nog steeds mis. Dan is bij instanties onduidelijk wie moet betalen. En al die tijd zit de jongere – in dit verhaal Annabel – zonder geld. 

Al jaren vraagt de Kinderombudsman aandacht voor dit probleem en de ingrijpende gevolgen voor jongeren. Er zijn inmiddels drie rapporten geschreven:  Rapport 'Mag ik mijn zakgeld?' (augustus 2017), Rapport 'Krijg jij al zakgeld?' (juni 2019) en Rapport 'Wie geeft mij(n) zak- en kleedgeld' (juni 2021). In al die rapporten staat dat elk kind recht heeft op een toereikende levensstandaard. Dat betekent dat een kind voldoende geld heeft om noodzakelijke dingen te kunnen kopen. Dat staat in het internationaal kinderrechtenverdrag. Kinderen mogen niet de dupe worden als een regeling of afspraak niet goed bekend is en niet goed werkt. En toch zijn kinderen wel de dupe, omdat het niet overal in Nederland goed geregeld is. De Kinderombudsman heeft de staatssecretaris gevraagd om voor alle gemeenten dezelfde regeling vast te leggen in een nieuwe wet. Maar tot die tijd moeten gemeente, jeugdbescherming en de instelling waar de jongere woont het samen oplossen.

Na het telefoongesprek met de voormalig pleegvader stuurt de Kinderombudsman gelijk een mail aan de gemeente, jeugdbescherming en de woonvoorziening waar Annabel nu woont.

De Kinderombudsman wijst op de rapporten, conclusies en aanbevelingen. En vraagt aan de betrokken partijen het zo snel mogelijk op te lossen met elkaar. Soms is er nog een telefoontje nodig. Maar meestal is een mail met informatie genoeg en wordt het zak- en kleedgeld alsnog betaald. 
Dat gebeurde ook voor Annabel.